Strontvliegen

Direct op zoek naar een ongediertebestrijder? Vul hieronder de 4 cijfers van uw postcode in en Bel Direct!

Strontvliegen


De strontvlieg dankt haar naam aan het feit dat de mannetjes in het voorjaar, vaak in grote aantallen, in de buurt van dierlijke uitwerpselen gesignaleerd worden en de vrouwtjes hun eieren erin leggen.
Om zich te kunnen voortplanten, wachten mannetjesstrontvliegen in de buurt van dierlijke uitwerpselen, op een vrouwtje. De vrouwtjesstrontvlieg heeft namelijk een sterke voorkeur om na het paren haar eitjes in koeienuitwerpselen of andere dierlijke mest te leggen.

Behalve de naam drekvlieg of mestvlieg, komt ook de naam gele strontvlieg voor. Het geel verwijst naar de dichte en korte beharing aan de bovenkant van de poten van het mannetje.

Soorten

Alle vliegen (Brachycera) behoren tot de orde van tweevleugeligen (Diptera). Tot de 28 soorten Brachycera behoren onder andere ook bromvliegen, dazen, sluipvliegen, dansvliegen, roofvliegen, fruitvliegjes, zweefvliegen en echte vliegen.

De wetenschappelijke naam van de strontvlieg is Scathophaga stercoraria. Hij behoort tot de onderfamilie van de Scathophagidae (drekvliegen). Deze familie bevat 57 geslachten en er zijn 419 soorten. In Nederland komen zo´n 40 soorten voor. De overige soorten komen vooral meer noordelijk en in de bergen voor.

Leefgebied van een strontvlieg

De strontvlieg komt voor in Europa (dus ook in Nederland), Azië en Noord-Amerika. In de warme landen van Zuid-Europa komt de strontvlieg echter niet voor, behalve in de koelere bergen. Een strontvlieg houdt namelijk niet van warmte en zal zich ´s zomers, op hete dagen, verschuilen. Zodra het koeler wordt, komt hij weer tevoorschijn.

Ook van november tot april zul je hem niet zien. Hij overwintert als volwassen strontvlieg. De strontvlieg tref je, behalve in de buurt van koeienpoep, ook op grassen en bloemen aan.

Uiterlijke kenmerken van een strontvlieg

De strontvlieg is 5 tot 10 millimeter lang en heeft een korte, spitse zuigsnuit. Mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes. In tegenstelling tot de vrouwtjes hebben mannetjes bovenaan de poten gele beharing. Daardoor lijkt het of hij hoog op de poten staat. Vrouwtjes zijn grijsgroen van kleur. Mannetjes zijn oranjegeel van kleur en hebben een sterke beharing.

Kop

Strontvliegen hebben ronde kopjes, met dichte beharing op de achterwang en het achterhoofd. Ze hebben een korte, spitse zuigsnuit om nectar (of andere insecten) leeg te zuigen. De kleine, rode facetogen lijken op halve knikkertjes. Het vrouwtje heeft kleine facetogen. Bij het mannetje bedekken de ogen bijna zijn hele kop. Tussen de facetogen staan korte, zwarte, recht naar voren staande voelsprieten met tast- en geurzintuigen. Bij vrouwtjes bestaat de voelspriet uit 12 leden en bij mannetjes uit 13 leden.

Borststuk

Het borststuk, dat zorgt voor de voortbeweging, bestaat uit drie segmenten. Aan elk segment zit een paar poten. Vandaar hebben insecten 6 poten. De vleugels zitten ook aan het borststuk. De strontvlieg heeft vier vleugels. Zoals bij veel vliegen, zijn de achterste vleugels geevalueerd in zogenaamde halters. Dit zijn kleine, knotsvormige organen die dienen om het evenwicht tijdens het vliegen te bewaren. De twee “ echte” vleugels zijn doorzichtig en geaderd. Als de strontvlieg niet vliegt lijkt het erop dat hij maar één vleugel heeft.

De poten hebben lange, donkere en stekelige sporen (haren). Het mannetje heeft aan de bovenkant van de poten gele beharing. Onder de poten zitten de zogenaamde tarsi, oftewel voeten, met hele kleine haartjes. Deze haartjes fungeren als een soort klittenband. Hiervoor moeten de tarsi wel heel schoon zijn. Daarom wassen vliegen zich zo vaak. Ook kunnen ze met de tarsi ruiken.

Achterlijf

In het achterlijf bevinden zich het hart, de spijsverterings-, geslachts- en uitscheidingsorganen en de bloedsomloop. De bovenkant wordt beschermd door rugplaten, de onderkant door borstplaten. Het achterlijf is in verhouding het grootst.

Leefwijze

De strontvlieg houdt niet van warmte. Daarom tref je hem in warme, Zuid Europese landen, niet aan. Hij houdt zicht tijdens warme zomers schuil.

De strontvlieg leeft voornamelijk van nectar en komt voor op bloemen, tijdens zijn zoektocht naar stuifmeel. Daarmee zijn ze belangrijk voor de bestuiving van planten en bloemen. Op uitzichtplekken gaat de strontvlieg op zoek naar vliegen en insecten zonder harde schilden, om ze vervolgens leeg te zuigen.

Wat eet een strontvlieg?

Hoewel de naam anders doet vermoeden, eten strontvliegen geen stront, maar nectar. Deze zuigen ze met hun zuigsnuit op. Soms vergrijpen ze zich ze ook aan ander insecten, meestal soortgenoten.

Vijanden van de strontvlieg

Uiteraard is de mens een vijand van de strontvlieg. Behalve dat ze “gemept” worden, is het gebruik van ontwormingsmiddelen voor vee een bedreiging. Deze middelen komen uiteindelijk in de mest terecht, de bron van voortplanting van de strontvlieg.

Andere vijanden zijn vogels, zoals zwaluwen en mezen, spinnen, honden en katten.

Voortplanting en levensduur

Het mannetje wacht in de buurt van verse, dierlijke mest een vrouwtje op, om met haar te paren. Een vrouwtje met nog onbevruchte eitjes zal namelijk altijd verse mest opzoeken. Het vrouwtje legt ongeveer 150 eitjes op de mest. De eitjes zijn roodbruin, ovaal en ongeveer 1 mm groot. De eitjes zien eruit als vliegjes vanwege hun vleugelachtige uitsteeksels. Deze zorgen ervoor dat de eitjes in verse mest niet wegzakken en verstikken. De larven leven niet van de mest zelf, maar wel van de larven van andere, van mest levende, insecten,

De maden worden circa 1 cm lang en verpoppen naast of onder de mest in de grond, om na drie dagen uit te komen. Vanaf dat moment leven ze ongeveer twee tot drie maanden als volwassen vlieg (imago).

Overlast en ziektes

De grootste overlast van vliegen ondervinden we in onze woning. Met name de aanwezigheid van meerdere vliegen en het gebrom, wordt als zeer vervelend ervaren. Vooral als we voedsel aan het bereiden zijn. Vliegen kunnen een grote rol in de overdracht van ziektes spelen. Bacteriën kunnen heel makkelijk door insecten vervoerd worden. Een vlieg draagt met gemak bijna 30 miljoen bacteriën met zich mee.